Introductie
Mijn naam is Jan Ploeg, ik werk als beeldhouwer sinds 1978. Vanaf 1986 houd ik me bezig met het uitbeelden van Dolfijnen en Walvissen. Om deze beter te kunnen begrijpen ben ik zelf gaan zwemmen als een Dolfijn. Aanvankelijk alleen met een monovin, maar omdat ik ook iets met mijn armen wilde doen, heb ik de 'Watervleugel' ontwikkeld.

door: Jan Ploeg

Watervleugel
Na 17 proefmodellen en talloze experimenten ben ik sinds '92 tot een super-hydrofiele vorm gekomen, die zuiver gebalanceerd is en eenvoudig op het goede (soortelijke) gewicht is te brengen. Bovendien is deze vorm betrekkelijk eenvoudig te reproduceren. Met deze combinatie is het na enige oefening mogelijk om met weinig inspanning een behoorlijke snelheid te ontwikkelen en met opvoering van kracht tot zeer snel te gaan. Bovendien kunnen hiermee onbeperkt manoeuvres worden aangeleerd. De combinatie is geschikt voor snorkelduikers, maar ook, binnen de normale beperkingen, voor duikers.

Combinatie monovin/watervleugel
Hoe werkt de combinatie monovin/watervleugel? De monovin is een flexibele plaat van zodanig gelaagd glasfiber, dat deze naar het einde toe steeds buigzamer wordt. Wanneer de voeten op en neer worden bewogen gaat de plaat steeds weer krom staan en duwt het water naar achteren. Bij de wisseling van op naar neer en vice versa slaat de buiging om en is er sprake van een stukje niet-effectieve beweging. De watervleugel is een starre, hydrofiele vorm, die bij lagere snelheid steeds zodanig gekanteld wordt, dat er water naar achteren wordt geduwd in statische zin. Iedere arbeidsslag is dan de herstelslag voor de volgende arbeidsslag. Er is niet tot nauwelijks verlies van input/output energie. In werkelijkheid heeft de vleugel snelheid, hetgeen in dynamische zin betekent dat hij zich tegen het water afzet en zich in feite vooruit duwt. Bij hogere snelheid wekt de op- en neer beweging steeds meer weerstand op en neemt de meeropbrengst van snelheid af. Het wordt daarom zinvol de vleugel vlak door het water te laten glijden en de boven- en onderweerstand te gebruiken om zich met de mono tegen af te zetten, dmv een hogere of krachtiger slagfrequentie.



Tweede techniek van voortbewegen

Er is echter nog een techniek van voortbewegen. De bewegingen van vleugel en mono zijn aan elkaar gekoppeld in de zin dat ze ogenschijnlijk tegelijkertijd naar boven en naar onderen gaan. In werkelijkheid leidt de vleugel iets. Dit noem ik het 'venster van de voortgang'. Door mono en vleugel tegen elkaar af te zetten in een betrekkelijk geringe uitslag en met een minimaal venster, gaan beiden 'sporen'. Dit voelt als een soort weerstand dat ik zelf kan beïnvloeden, een tastbaar momentum, dat zich uitstrekt van mijn vingertoppen tot mijn tenen. Je kunt hier zo snel mee zwemmen dat het water langs je oren gaat fluiten. Maar snelheid vind ik minder belangrijk. Het gaat me erom grip op het water te hebben, macht erover, zoals een dolfijn dat heeft. Diens snelheid zal ik nooit evenaren, maar het comfort, de mogelijkheden en de schoonheid van het leven in de armen van de zwaartekracht, daar zal ik nooit genoeg van krijgen.



'New Age' verdenkingen
Waar ik wel schoon genoeg van begin te krijgen is het isolement waarin ik de watervleugel heb ontwikkeld. Als ik zwem krijg ik belangstelling genoeg van toevallige voorbijgangers, maar serieuze interesse vanuit de (vin)zwemwereld of van marinebiologen kaatst steeds af op reglementen of 'New Age' verdenkingen. Ook bij duikers slaat deze manier van voortbewegen kennelijk niet aan, getuige mijn artikel in 'Onderwatersport' van juni jl., waarop ik niet één reactie ontving. Natuurlijk zou ik graag schatrijk willen worden door mijn uitvinding/ontdekking. Wie niet?

Verwante geesten
Maar het zou al heel leuk zijn om een paar verwante geesten te vinden om samen de wateren mee te doorklieven of contra-spirulerende manoeuvres mee in te studeren en daarna met Fungi of die andere 'nieuwe' dolfijn in Ierland bij Doolin te gaan ravotten. Of op de kant windkracht 12 te gaan brainstormen om de mogelijkheden van Vin en Vleu uit te diepen. Zo bestaat mijn jongste project uit het bouwen van een mono, die net zo breed is als de vleugel (1.40 m) om interactie tussen voor en achter (het stroompad) max te benutten. Het frame is rigide (eiken) met bladen van glasfiber (oude monovinnen, gekregen van Edwin en Roland Kanters) en het oppervlak is ongeveer even groot als van een mono, met terugwijkende achterrand. Hiermee hoop ik 'the best of both worlds' te combineren met een verbrede stuwzone, zoals bij marlijnen, tonijnen en makrelen en een flexibele 'flow control' zoals bij walvissen en dolfijnen. Over mijn volgend project heb ik ook al gedachten. Ik wil kijken of je met een rugvin inderdaad sneller en vloeiender weer onder kunt duiken. Tot bij de spiegel.